De stroopwafel komt uit Gouda. Deze typisch Nederlandse lekkernij werd voor het eerst gemaakt in de eerste helft van de negentiende eeuw in deze Zuidhollandse stad. Gouda staat niet alleen bekend om zijn kaas, maar is dus ook de geboorteplaats van een van de meest geliefde koeken van Nederland.
De stroopwafel heette oorspronkelijk de siroopwafel, een naam die de vulling meteen verraadt. Het koekje bestaat uit twee dunne wafels met daartussen een laag stroop van suiker, boter en kaneel. Simpel van ingrediënten, maar geliefd over de hele wereld.
Wie heeft de stroopwafel uitgevonden?
De uitvinder van de stroopwafel is Gerard Kamphuisen, een bakker uit Gouda. Volgens de overlevering maakte hij het koekje voor het eerst rond 1810 in zijn bakkerij aan de Goudse markt. Er bestaat enige discussie over het precieze jaar, maar de periode rond 1810 tot 1840 wordt het vaakst genoemd. Kamphuisen zou kruimels en restjes van andere bakproducten hebben samengevoegd met stroop om zo een nieuw koekje te maken, een zuinige maar slimme vondst.
In het begin werden stroopwafels niet in een winkel verkocht, maar op de markt. De Goudse markt was lange tijd de plek waar kopers en verkopers elkaar troffen, en stroopwafels waren er een populaire traktatie. De koekjes werden warm gemaakt en vers meegegeven, waardoor ze al snel een vaste plek op de markt kregen.
Waar komt de stroopwafel vandaan buiten Gouda?
Lange tijd bleef de stroopwafel een puur Gouds product. Pas in de twintigste eeuw begon de productie te groeien en werden de koekjes ook buiten de regio populair. Met de opkomst van fabrieksmatige productie konden stroopwafels op grotere schaal worden gemaakt en verpakt, waardoor ze door heel Nederland verkrijgbaar werden.
Tegenwoordig worden stroopwafels ook buiten Nederland veel gegeten. Ze zijn te vinden in supermarkten in Amerika, Azië en grote delen van Europa. De populariteit bij KLM, dat de koekjes als traktatie uitdeelt op vluchten, heeft mede bijgedragen aan de internationale bekendheid. Voor veel buitenlanders is de stroopwafel daardoor hét symbool van Nederland.
Hoe ziet het traditionele recept eruit?
Een echte stroopwafel bestaat uit twee ronde wafels die worden gebakken in een speciaal wafelijzer. Terwijl de wafels nog warm zijn, worden ze doormidden gesneden en aan elkaar geplakt met een laag stroop. Die stroop is gemaakt van suiker, boter, kaneel en soms een beetje vanille. Doordat de wafels warm zijn, hecht de stroop goed en ontstaat er een zachte, taaie vulling.
De bekende truc om een stroopwafel op een warme kop koffie of thee te leggen, zodat de stroop zacht wordt, is niet bedacht door een marketingafdeling maar is gewoon jarenlange gewoonte. Door de warmte van de damp wordt de stroop vanzelf smeuïg, wat het koekje nóg lekkerder maakt.
De stroopwafel vandaag
In Gouda kun je nog altijd ambachtelijke stroopwafels kopen, vers van het wafelijzer. De stad beschouwt het koekje als een belangrijk onderdeel van haar erfgoed, naast de kaas en de kaarsen. Er zijn in Gouda meerdere winkels en kraampjes die de stroopwafel nog op de oude manier maken, met een wafelijzer en handmatig aangebrachte stroop.
Op grotere schaal worden stroopwafels tegenwoordig door verschillende fabrikanten geproduceerd, zowel in Nederland als in het buitenland. De originele Goudse stroopwafel wordt daarbij soms apart aangeduid om het onderscheid te maken met de fabrieksversie. Voor wie wil weten waar de stroopwafel écht vandaan komt, is een bezoek aan de Goudse markt nog steeds de beste manier om dat te ervaren.

Comments are closed.