Kurkuma komt oorspronkelijk uit India. Dat is al duizenden jaren zo: de plant groeit van nature in tropisch Zuid-Azië en wordt in India al zo lang verbouwd dat het diep verweven is met de lokale keuken, geneeskunde en cultuur. Vandaar verspreide het zich naar de rest van de wereld.
De plant zelf: een tropische wortelstok
Kurkuma (Curcuma longa) is een plant uit de gemberfamilie. Wat je in de keuken gebruikt, is de wortelstok van die plant, ook wel rizoom genoemd. Die wortelstok heeft van buiten een bruinig-oranje schil en van binnen een opvallend felgele kleur. Dat geel komt door curcumine, de werkzame stof die kurkuma zijn kleur en smaak geeft.
De plant houdt van warmte en vochtigheid. Ze groeit het beste in een tropisch klimaat met veel regen en een goed doorlatende grond. Dat verklaart waarom India al eeuwenlang het grote productiecentrum is. De plant wordt er op grote schaal geteeld, vooral in de deelstaat Andhra Pradesh, maar ook in andere regio’s zoals Tamil Nadu en Odisha.
Waar komt kurkuma vandaan buiten India?
Vanuit India verspreidde kurkuma zich via handelsroutes naar andere delen van Azië. Tegenwoordig wordt het ook verbouwd in landen als China, Bangladesh, Pakistan, Sri Lanka, Thailand en Indonesië. In Maleisië is de specerij bekend onder de naam “koenjit”, en ook in de Maleisische keuken speelt het een grote rol.
Via de specerijenhandel bereikte kurkuma uiteindelijk Europa en de rest van de wereld. In het Westen werd het lange tijd vooral als kleurstof gebruikt, bijvoorbeeld om textiel of voedsel geel te kleuren. De bijnaam “geelwortel” verwijst daar rechtstreeks naar. Pas later, toen de interesse in Aziatische kruiden groeide, werd kurkuma ook in de westerse keuken populair als smaakmaker en ingrediënt in kerriepoeder.
India als onbetwist centrum van kurkuma
India is wereldwijd nog altijd de grootste producent én exporteur van kurkuma. Het land verbouwt naar schatting zo’n 80 procent van de wereldproductie. Dat aandeel is al decennialang stabiel. De specerij is er zo gewoon als zout: ze zit in curry’s, in rijstgerechten, in ayurvedische geneesmiddelen en zelfs in ceremoniële rituelen zoals bruiloften, waarbij kurkuma traditioneel op de huid wordt aangebracht.
Die lange geschiedenis in India maakt ook duidelijk waarom de plant daar zo gevarieerd wordt ingezet. De Indiase keuken gebruikt zowel de verse wortel als het gedroogde en gemalen poeder. In het Westen is het gedroogde poeder verreweg het meest bekend.
Hoe ziet de teelt eruit?
Kurkuma wordt gekweekt door stukjes wortelstok in de grond te steken, vergelijkbaar met de manier waarop gember wordt geplant. Na zo’n negen maanden is de plant klaar voor de oogst. De wortelstok wordt dan uit de grond gehaald, gewassen en vervolgens gedroogd, vaak door ze te koken en daarna in de zon te leggen. Na het drogen worden ze gemalen tot het bekende gele poeder.
De smaak van kurkuma is licht bitter en aards, met een zwak peperachtige ondertoon. Het is geen specerij met een uitgesproken scherpe smaak, maar het geeft gerechten wel meteen die warme, gele kleur waar het zo bekend om staat.
Kurkuma komt dus echt uit India, en dat is niet zomaar een geografisch feitje. De plant is er al zolang thuis dat de teelt, het gebruik en de kennis erover diep in de lokale cultuur verankerd zitten. Vandaar vertrok de specerij op haar reis door Azië en uiteindelijk naar de rest van de wereld, maar haar roots liggen nog altijd stevig in de Indiase bodem.

Comments are closed.