Pindakaas heet pindakaas omdat de naam “pindaboter” in Nederland wettelijk verboden was. Boter mocht alleen heten wat écht van melk gemaakt was, en pindaspread voldeed daar niet aan. De Nederlandse producenten kozen daarom voor het woord “kaas”, en zo bleef de naam pindakaas hangen tot op de dag van vandaag.

In de meeste andere talen heet hetzelfde product gewoon “pindaboter”: peanut butter in het Engels, cacahuète beurre in het Frans, Erdnussbutter in het Duits. Nederland is een van de weinige landen ter wereld die een compleet andere naam gebruikt. Dat maakt de vraag waarom pindakaas pindakaas heet des te interessanter.

De boterwet: waarom pindaboter niet mocht

De kern van het verhaal zit in de Nederlandse boterwetgeving. In de twintigste eeuw bepaalde de wet dat het woord “boter” alleen gebruikt mocht worden voor producten die gemaakt zijn van melkvet. Pindapasta bevat geen melk en geen dierlijk vet, maar wordt gemaakt van gemalen pinda’s. Dat product de naam “boter” geven was dus wettelijk niet toegestaan.

Fabrikanten zaten dus met een naamsprobleem. Ze konden het product geen boter noemen, maar ze hadden wel een herkenbare naam nodig. Ze grepen naar een ander woord uit de zuivelwereld: kaas. Strikt genomen klopt ook die naam niet, want pindakaas bevat evenmin melk. Maar de wet verbood “pindaboter”, niet “pindakaas”. En zo ontstond een eigenzinnige Nederlandse benaming die tot op heden in gebruik is.

Surinaamse roots: pienda-dokoen

Het woord “pindakaas” heeft ook een taalkundige voorgeschiedenis. Volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT) duikt het woord voor het eerst op in Suriname. In de achttiende eeuw werd daar “pienda-dokoen” gebruikt voor een blokvormige bereiding van pinda’s. “Dokoen” is een woord voor een soort kaasachtig geperst blok. De vergelijking met kaas, omdat het product in een vaste, geperste vorm verkwam, was dus al eerder gemaakt, nog vóór de moderne pindakaas als smeerbare pasta bestond.

Via de koloniale band tussen Nederland en Suriname kwamen zulke woorden en begrippen mee naar het Nederlands taalgebied. Het idee om pinda’s te vergelijken met kaas was dus niet puur een juridische truc van Nederlandse fabrikanten. De link tussen pinda’s en “kaas” bestond al langer, in een andere vorm en een ander deel van de wereld.

Waarom de naam bleef plakken

Inmiddels is de strikte boterwetgeving aangepast en gelden er Europese regels voor productnamen. Toch heet het product in Nederland nog steeds pindakaas. Dat komt simpelweg omdat de naam zo ingeburgerd is dat niemand er meer bij nadenkt. Generaties Nederlanders zijn ermee opgegroeid, supermarkten verkopen het onder die naam en het staat zo op de verpakking. Een naamswijziging naar “pindaboter” zou nu alleen maar verwarring opleveren.

Het is een mooi voorbeeld van hoe taal werkt: een naam die ooit om praktische of juridische redenen gekozen werd, wordt na verloop van tijd de enige juiste naam. Je zegt gewoon pindakaas, net zoals je zonder nadenken “stopcontact” zegt terwijl het geen contact met stopverf heeft.

Kortom: pindakaas heet pindakaas omdat de naam “pindaboter” in Nederland wettelijk niet mocht, de naam “kaas” taalkundig al bestond in de Surinaamse traditie rondom pinda’s, en de benaming daarna zo normaal werd dat hij nooit meer verdween.

Comments are closed.