Bami komt oorspronkelijk uit China. De noedels zijn afkomstig uit de Chinese keuken en kwamen via Chinese migranten naar Nederland, waar ze uitgroeiden tot een vaste waarde in de Nederlandse keuken. De naam zelf verraadt al de herkomst: “bami” is afgeleid uit het Minnanyu, een Chinese taal die gesproken wordt in de zuidelijke provincie Fujian en op Taiwan.

In het Minnanyu betekent “ba” (ook wel geschreven als “mee”) zoveel als noedels of meel. De combinatie vormt het woord dat wij kennen als bami, bahmi of bamie. Al die spellingsvarianten komen voor in Nederland, maar ze verwijzen allemaal naar hetzelfde product: dunne, tarwenoedels die gekookt of gebakken worden.

Waar komt bami vandaan? De rol van Chinese migranten

Bami werd in Nederland bekend via Chinese en Chinees-Indonesische restaurants. Vanaf de vroege twintigste eeuw vestigden Chinese migranten zich in Nederlandse havensteden zoals Rotterdam en Amsterdam. Zij namen hun eetcultuur mee, inclusief de noedelgerechten die centraal stonden in de zuidelijke Chinese keuken. Via de Indonesische archipel, die lange tijd onder Nederlands koloniaal bestuur viel, raakten deze gerechten ook verweven met de Indonesische keuken.

Indonesische en Chinese koks pasten de recepten aan aan lokale smaken en beschikbare ingrediënten. Zo ontstond de bami goreng zoals die in Nederland bekend is: gebakken noedels met groenten, ei, en vaak kip of garnalen, op smaak gebracht met ketjap en sambal. Dit gerecht is eigenlijk een Chinees-Indonesische fusionschotel, die zijn definitieve vorm deels in Nederland zelf kreeg.

Van restaurantgerecht naar supermarktproduct

Lange tijd was bami iets dat je uitsluitend in een restaurant at. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde dat. Levensmiddelenfabrikanten begonnen gedroogde noedels en kant-en-klare bami-mengsels te verkopen in supermarkten. Bekende Nederlandse merken brachten pakjes bami op de markt, compleet met specerijen en smaakmakers. Daarmee werd het een van de populairste avondmaaltijden in Nederland.

De noedels die in Nederland als bami worden verkocht, zijn gemaakt van tarwebloem en water, soms aangevuld met ei. Dat onderscheidt ze van rijstnoedels, die in andere Aziatische keukens gebruikelijker zijn. De tarwenoedel past bij de Noord-Chinese en Fujian-tradities, waar tarwe vanouds een belangrijker gewas is dan rijst.

Het verschil tussen bami en andere noedels

Niet elke Aziatische noedel is bami. In de Nederlandse context verwijst bami specifiek naar de gele, gekrulde tarwenoedels die je kent uit de Chinese en Indonesische keuken. In China zelf bestaan honderden varianten van noedels, maar de bami zoals wij die kennen is het meest verwant aan de “mie” uit de Indonesische keuken en de Cantonese “lo mein”. Het gaat altijd om een noedel op basis van tarwe, soms met ei, en vaak voorgedroogd of gedroogd verkocht.

Rijstnoedels, zoals die in Thaise of Vietnamese gerechten voorkomen, worden in Nederland doorgaans niet als bami aangeduid. Dat onderscheid is belangrijk als je in de supermarkt staat: controleer of je tarwe- of rijstnoedels nodig hebt voor jouw recept.

Bami in de Nederlandse keuken

Nederland heeft bami volledig eigen gemaakt. Het gerecht staat inmiddels op het menu van snackbars als bamischijf of bamikroket, twee producten die nergens anders ter wereld zo bestaan. Daarmee is bami een mooi voorbeeld van hoe een importgerecht in een nieuwe cultuur een heel eigen leven kan gaan leiden. De Chinese en Indonesische wortels zijn nooit verdwenen, maar bami is in Nederland ook gewoon Nederlands geworden.

Kortom: bami komt uit China, reisde via Indonesische en Chinese migranten naar Nederland, en groeide hier uit tot een alledaags gerecht met een eigen Nederlandse identiteit. De naam, de noedel en de basis zijn Chinees; de smaak en de plek op het bord zijn inmiddels voor een groot deel ook gewoon van ons.

Comments are closed.