Author

Dinand

Browsing

Rijst komt oorspronkelijk uit Azië, meer specifiek uit het gebied rond de rivieren de Yangtze en de Parelrivier in het huidige China. Daar werd rijst voor het eerst geteeld, naar schatting zo’n 7.000 tot 10.000 jaar geleden. Daarmee is rijst een van de oudste gecultiveerde gewassen op aarde.

De plek waar rijst vandaan komt: China als bakermat

Wilde rijst groeide van nature in de moerasgebieden en rivierdelta’s van Zuid- en Oost-Azië. Archeologisch onderzoek wijst uit dat de eerste boeren in het dal van de Yangtze, in het huidige midden-China, de overstap maakten van het plukken van wilde rijst naar het daadwerkelijk verbouwen ervan. Die stap van verzamelen naar telen wordt gezien als het beginpunt van de rijstcultuur.

De rijstsoort die vandaag de dag verreweg het meest wordt gegeten, is Oryza sativa, de Aziatische rijst. Binnen die soort bestaan twee bekende ondersoorten: de langkorrelige indica (populair in Zuid- en Zuidoost-Azië) en de rondkorrelige japonica (wijdverspreid in Japan, Korea en delen van Europa). Beide stammen af van dezelfde wilde rijstplant, maar zijn in de loop van duizenden jaren in verschillende richtingen gekweekt.

Hoe rijst zich vanuit Azië over de wereld verspreidde

Vanuit China verspreidde de rijstteelt zich geleidelijk naar andere delen van Azië. India, Zuidoost-Azië en Japan namen de teelt over, elk met eigen variëteiten die aangepast waren aan het lokale klimaat. Rijst groeide daarmee uit tot de belangrijkste voedselbron voor een groot deel van de Aziatische bevolking.

Via handelsroutes en later via Arabische handelaren bereikte rijst ook het Midden-Oosten en vervolgens Europa. In Spanje en Italië werd rijst al in de middeleeuwen geteeld. Bekende gerechten als risotto en paella hebben hun wortels in die vroege introductie van rijst op het Europese continent.

De koloniale periode bracht rijst ook naar Amerika en Afrika. In West-Afrika was de teelt van rijst zelfs deels onafhankelijk van Azië tot stand gekomen. Daar werd een eigen soort gekweekt: Oryza glaberrima, de Afrikaanse rijst. Die soort is minder wijdverspreid dan de Aziatische variant, maar heeft een lange eigen geschiedenis in de regio rond de Niger-delta.

Twee soorten rijst: Aziatisch en Afrikaans

Er bestaan officieel twee gecultiveerde rijstsoorten. De Aziatische rijst (Oryza sativa) is wereldwijd verreweg de meest geteelde en gegeten soort. De Afrikaanse rijst (Oryza glaberrima) is duizenden jaren geleden onafhankelijk gedomesticeerd in West-Afrika en heeft een eigen oorsprong. Beide soorten behoren tot het plantengeslacht Oryza, maar zijn aparte species met een verschillende domesticatiegeschiedenis.

De Afrikaanse rijst is minder gevoelig voor droogte en bepaalde ziektes, maar geeft doorgaans een lagere opbrengst dan de Aziatische variant. In de moderne landbouw zijn kruisingen tussen de twee soorten ontwikkeld, bekend als NERICA-rijst (New Rice for Africa), om de voordelen van beide te combineren.

Waar wordt rijst nu vandaan gehaald?

Verreweg de meeste rijst ter wereld wordt nog altijd in Azië geproduceerd. China en India zijn samen goed voor het grootste deel van de wereldproductie. Andere grote producenten zijn Bangladesh, Indonesië, Vietnam en Thailand. Thailand en Vietnam zijn ook de grootste exporteurs van rijst; een groot deel van de rijst die buiten Azië gegeten wordt, is afkomstig uit die landen.

In Europa is de rijstteelt beperkt tot warmere gebieden zoals de Po-vlakte in Noord-Italië, de Ebro-delta in Spanje en delen van Portugal en Griekenland. De rijst die je in Nederlandse supermarkten koopt, is in de meeste gevallen afkomstig uit Azië of uit die Zuid-Europese regio’s.

Rijst heeft dus een opmerkelijk lange reis achter de rug: van de oevers van de Yangtze in China, naar heel Azië, vervolgens naar Afrika, Europa en de Amerika’s. Die verspreiding over duizenden jaren maakt rijst tot een van de meest gereisde voedselgewassen die de wereld kent.

Drop komt oorspronkelijk uit Italië. In het zuiden van Italië werd in 1731 voor het eerst drop gemaakt van zoethoutwortel, door een man genaamd Giorgio Amarelli. Daarmee is drop een van de oudste snoepsoorten ter wereld, met een geschiedenis van bijna drie eeuwen.

Dat veel mensen drop als typisch Nederlands beschouwen, is begrijpelijk. Nederland is wereldwijd de grootste dropeter per hoofd van de bevolking. Maar de uitvinding zelf vond dus plaats in Italië, in de regio Calabrië, helemaal aan de punt van de Italiaanse laars.

De zoethoutwortel: het begin van drop

De basis van drop is de zoethoutwortel, ook wel Glycyrrhiza glabra genoemd. Deze plant groeit van nature in het Middellandse Zeegebied en delen van Azië. Al duizenden jaren voor onze tijdrekening gebruikten mensen in Egypte, China en het Midden-Oosten zoethoutwortel als geneesmiddel. Het sap van de wortel werkt kalmerend op de keel en maag, en werd lang gezien als remedie tegen hoest en andere klachten.

Het idee om van dit sap een eetbaar, stevig product te maken, stap voor stap een soort snoep dus, is het grote verschil met de traditionele medicinale toepassing. Giorgio Amarelli combineerde het ingedikte zoethoutsap met andere ingrediënten en maakte er een vaste, donkere lekkernij van. Die techniek is de directe voorloper van de drop die je vandaag in de winkel koopt.

Van geneesmiddel naar snoepgoed

In de eeuwen na 1731 verspreidde de dropmaakmethode zich vanuit Italië naar de rest van Europa. Aanvankelijk werd drop vooral verkocht bij apothekers, niet in snoepwinkels. Het stond bekend als iets gezonds, iets wat je gebruikte als je een dikke keel had. Pas later, toen suiker goedkoper werd en snoepproductie opschoot, verschoof drop langzaam van geneeskunde naar lekkernij.

In Nederland raakte drop ergens in de negentiende en vroege twintigste eeuw sterk ingeburgerd. Nederlandse fabrikanten gingen experimenteren met zouter drop, zoeter drop, zachte en harde varianten. Die traditie van variëren is nergens zo sterk als in Nederland, wat verklaart waarom het assortiment hier veel groter is dan in het land van herkomst.

Wat zit er precies in drop?

Moderne drop bestaat uit een combinatie van ingrediënten. De basissamenstelling ziet er doorgaans zo uit:

  • Zoethoutextract: het sap uit de zoethoutwortel, ingedikt tot een stroperige massa. Dit geeft drop zijn kenmerkende smaak.
  • Suiker: voor de zoetheid en de textuur.
  • Glucosestroop: helpt de drop zijn vorm te geven en te bewaren.
  • Gelatine of zetmeel: voor de stevigheid. Gelatine maakt drop niet geschikt voor vegetariërs; zetmeel is het alternatief in veganistische varianten.
  • Salmiak (ammoniumchloride): een stof met een zoutige, scherpe smaak. Dit zit alleen in zoute drop, en is typisch voor de Nederlandse en Scandinavische smaaktraditie.

Het gehalte zoethoutextract verschilt sterk per merk en type. Bij medicinale drop ligt dat percentage hoger dan bij doorsnee snoepjes. Dat maakt medicinale drop ook iets om niet in grote hoeveelheden te eten, want te veel glycyrrhizine (de werkzame stof in zoethout) kan de bloeddruk verhogen.

Waarom is drop zo populair in Nederland?

Een sluitende verklaring is er niet, maar historici en voedingswetenschappers wijzen op een paar factoren. Nederland had vroeg toegang tot tropische handelsroutes via de VOC, wat de import van zoethout en andere exotische grondstoffen makkelijker maakte. Daarnaast heeft de Nederlandse smaak van oudsher een voorkeur voor sterke, soms bittere smaken, denk aan haring, bitterballen en oude kaas.

Nederlanders eten naar schatting gemiddeld twee kilogram drop per persoon per jaar. Dat is verreweg het hoogste cijfer ter wereld. In Italië, het geboorteland van drop, is de consumptie een fractie daarvan.

Drop begon dus als een Italiaanse uitvinding op basis van een eeuwenoud geneeskrachtig gewas. Via apothekers en kleine fabrikanten groeide het uit tot het snoepgoed dat je nu in elke Nederlandse supermarkt tegenkomt, in tientallen smaken en vormen. De zoethoutwortel is in al die eeuwen de rode draad gebleven.

Pizza komt oorspronkelijk uit Italië, meer specifiek uit de regio rondom Napels. Maar de allereerste wortels van pizza gaan duizenden jaren verder terug, naar de oude Grieken, Romeinen en andere mediterrane volkeren die platte broden belegden met olie, kruiden en andere eenvoudige ingrediënten. Wat we vandaag de dag pizza noemen, ontstond pas echt in de achttiende en negentiende eeuw in Napels.

Platte broden in de oudheid: de vroegste voorlopers

Al in de oudheid aten mensen platte, ronde broden die ze belegden met wat er voorhanden was. De oude Grieken kenden een broodsoort die ze beladen met olijfolie, ui en kaas. De Romeinen gingen daar nog een stap verder in en maakten “placenta” en andere platte broden die ze besmeerden met kruiden, olijfolie en soms kaas. Dit waren echter geen pizza’s zoals wij die kennen. Tomaat ontbrak volledig, want dat gewas was in Europa nog niet bekend.

De tomaat kwam pas in de zestiende eeuw mee vanuit Midden- en Zuid-Amerika, nadat Spaanse ontdekkingsreizigers het gewas meebrachten naar Europa. In eerste instantie dachten veel Europeanen dat de tomaat giftig was. In Napels, een arm en dichtbevolkt gebied, durfden gewone mensen de tomaat wél te eten. Dat was het begin van een combinatie die de wereld zou veroveren.

Napels: de echte geboorteplaats van pizza

In de achttiende eeuw was Napels een grote, drukke stad met veel straatarme inwoners, de zogenoemde “lazzaroni”. Zij hadden behoefte aan goedkoop, snel en vullend eten. Bakkers en straatverkopers in Napels gingen plat brood beleggen met tomaat, knoflook, olijfolie en soms ansjovis of kaas. Dit was betaalbaar, makkelijk te eten en te koop op straat. Zo ontstond in de volkswijken van Napels de pizza als herkenbaar gerecht.

In die tijd was pizza allerminst een gerespecteerde maaltijd. De gegoede klasse keek neer op het gerecht als armeluis-eten. Dat veranderde langzaam naarmate de populariteit groeide.

De pizza Margherita en het verhaal achter de naam

Het bekendste moment in de geschiedenis van pizza speelt zich af in 1889 in Napels. Pizzabakker Raffaele Esposito zou op dat moment een speciale pizza hebben gemaakt voor de bezoekende koningin Margherita van Savoye. Hij belegde de pizza met tomaat (rood), mozzarella (wit) en basilicum (groen), de kleuren van de Italiaanse vlag. De koningin was zo tevreden dat de pizza naar haar werd vernoemd: de pizza Margherita. Dit verhaal is inmiddels befaamd, al zijn historici het erover eens dat Esposito niet de eerste was die deze combinatie maakte. Hij maakte het wél bekend bij een breder en welgesteld publiek.

Vanaf dat moment won pizza aan aanzien in Italië. De Napolitaanse pizzeria werd een begrip, en de ambacht van de pizzaiolo (pizzabakker) een erkend vak.

Hoe pizza de wereld veroverde

De grote verspreiding van pizza buiten Italië begon rond het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. In die periode emigreerden grote aantallen Italianen naar de Verenigde Staten, Argentinië en andere landen. Ze namen hun eetgewoonten mee, waaronder pizza. In steden als New York en Chicago openden de eerste Italiaanse pizzeria’s. Na de Tweede Wereldoorlog raakte pizza razendsnel populair in heel Amerika, mede omdat Amerikaanse soldaten het gerecht hadden leren kennen tijdens hun verblijf in Italië.

Vanuit Amerika verspreidde pizza zich verder over de rest van de wereld. Grote ketens als Pizza Hut (opgericht in 1958) en Domino’s (opgericht in 1960) zorgden ervoor dat pizza in vrijwel elk land verkrijgbaar werd. In Nederland werd pizza geleidelijk populairder vanaf de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw, eerst via Italiaanse restaurants, later via de opkomst van afhaalketens en diepvriesvariant in de supermarkt.

Napolitaanse pizza als cultureel erfgoed

In 2017 erkende UNESCO de kunst van de Napolitaanse pizzabakker (“l’arte del pizzaiolo napoletano”) als immaterieel cultureel erfgoed. Daarmee werd officieel vastgelegd dat pizza niet zomaar een gerecht is, maar een levende traditie met eeuwenoude wortels. De echte Napolitaanse pizza heeft strikte regels: een zachte, luchtige rand (de “cornicione”), een dunne bodem, en bereiding in een houtgestookte oven op hoge temperatuur.

Pizza is dus begonnen als goedkoop straateten voor de armen van Napels, gegroeid tot symbool van Italiaanse keuken en uitgegroeid tot een van de meest gegeten gerechten ter wereld. Van plat brood met olie in de oudheid tot de miljoenen pizza’s die dagelijks worden verkocht: de weg was lang, maar de kern bleef simpel.

Shakshuka komt waarschijnlijk uit Noord-Afrika, met name uit de regio die nu Tunesië, Libië en Algerije omvat. Van daaruit verspreidde het gerecht zich via migratie en handelsroutes naar het Midden-Oosten, waar het vooral in Israël en de Palestijnse gebieden een vaste plek in de keuken veroverde. De precieze herkomst is niet helemaal zeker, en daar zijn meerdere landen het niet over eens.

De Noord-Afrikaanse roots van shakshuka

De meest gangbare theorie is dat shakshuka zijn oorsprong heeft in de Maghreb, het westelijke deel van Noord-Afrika. In landen als Tunesië en Libië worden vergelijkbare gerechten al heel lang gemaakt: eieren gepocheerd in een saus van tomaten, paprika, knoflook en kruiden. De naam “shakshuka” komt waarschijnlijk uit het Arabisch of Berberdialecten en betekent zoiets als “mengsel” of “rommelig door elkaar”.

Tunesië claimt vaak het sterkste recht op het gerecht. Tunesische shakshuka is doorgaans pittiger en bevat vaker harissa, de bekende chilipasta uit die regio. Dit sluit aan bij de smaakprofielen die typisch zijn voor de Noord-Afrikaanse keuken.

De rol van het Ottomaanse rijk

Het Ottomaans-Turkse rijk heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld in de verspreiding van shakshuka. Het rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit over Noord-Afrika, het Midden-Oosten en delen van Zuid-Europa. Via de handelsroutes en de bevolkingsbewegingen die daarmee gepaard gingen, kwamen gerechten en ingrediënten mee. Zo zou shakshuka zijn weg hebben gevonden van Noord-Afrika naar het Midden-Oosten, maar ook naar gebieden als Turkije zelf.

Tomaten en paprika’s, de twee centrale ingrediënten van shakshuka, kwamen pas na 1492 vanuit Amerika naar Europa en het Middellandse Zeegebied. Dat betekent dat het gerecht in zijn huidige vorm niet ouder kan zijn dan de zestiende of zeventiende eeuw. Pas nadat deze ingrediënten gemeengoed werden, kon shakshuka zoals we het nu kennen ontstaan.

Shakshuka in Israël: hoe het zo populair werd

Shakshuka is vandaag de dag misschien wel het meest bekend als Israëlisch gerecht. Dat heeft een duidelijke historische verklaring. In de twintigste eeuw emigreerden grote aantallen Joodse gemeenschappen uit Noord-Afrika, waaronder uit Tunesië, Marokko en Libië, naar Israël. Ze namen hun keuken mee, inclusief shakshuka. Het gerecht paste goed bij de Israëlische eetcultuur en werd snel populair als ontbijt of lunchgerecht.

In Israël wordt shakshuka vaak geserveerd in een gietijzeren pan, rechtstreeks op tafel, met veel brood erbij om de saus op te deppen. Die eetervaring heeft bijgedragen aan de populariteit, ook internationaal. Israelische chefs en restaurants hebben het gerecht verder bekend gemaakt in Europa en Noord-Amerika.

Waarom de discussie over de oorsprong voortduurt

Meerdere landen, waaronder Tunesië, Israël, Turkije en Jemen, beschouwen shakshuka als een deel van hun eigen culinaire erfgoed. Dat is niet zo vreemd: gerechten reizen mee met mensen en passen zich aan aan lokale ingrediënten en smaken. Jemenitische versies bevatten soms andere kruiden, Turkse varianten wijken ook af. Wat overal hetzelfde blijft, is de basisstructuur: eieren in een hartige, tomatige saus.

De discussie over de “echte” herkomst is deels ook politiek geladen, omdat het samenvalt met bredere discussies over cultuur en identiteit in het Midden-Oosten. Culinaire historici wijzen er dan ook op dat shakshuka eerder een gedeeld erfgoed is van de hele regio dan het eigendom van één land.

Shakshuka is dus een gerecht met diepe Noord-Afrikaanse wortels, dat via het Ottomaanse rijk en later via Joodse migratie naar Israël zijn weg maakte naar de rest van de wereld. Welk land het ook als “van zichzelf” beschouwt, de smaak en populariteit spreken voor zich.

Falafel komt oorspronkelijk uit het Midden-Oosten, met name uit de Levant: het gebied dat vandaag de dag Libanon, Israël, Palestina, Jordanië en Syrië omvat. Het gerecht bestaat uit gefrituurde balletjes van gestampte kikkererwten en/of tuinbonen, en is al eeuwen een populair straatgerecht in die regio. Over de exacte herkomst bestaat discussie, maar de meest gehoorde theorie wijst naar Egypte als het land waar falafel voor het eerst gemaakt werd.

De Egyptische theorie: waar falafel vandaan komt

Veel voedingshistorici denken dat falafel zijn oorsprong heeft in Egypte. Daar wordt een vergelijkbaar gerecht al heel lang gegeten: ta’ameya. Dit is een variant gemaakt van tuinbonen in plaats van kikkererwten. Koptische christenen in Egypte zouden dit gerecht hebben gegeten als vervanger van vlees tijdens vastendagen, mogelijk al meer dan duizend jaar geleden. Via handelsroutes en migratie verspreidde het recept zich vanuit Egypte richting de rest van het Midden-Oosten.

In Egypte eet men nog steeds voornamelijk de tuinbonenvariant. Wie falafel proeft in Caïro, merkt meteen dat het een andere smaak en kleur heeft dan de kikkererwtenvariant die je in Europa en de Levant gewend bent.

De Levant: van lokaal gerecht naar wereldkeuken

Vanuit Egypte verspreidde falafel zich naar de Levant, waar kikkererwten de tuinbonen grotendeels vervingen. In landen als Libanon, Israël en Palestina werd falafel een alledaags gerecht dat je op straat kocht: snel, goedkoop en voedzaam. De balletjes worden er traditioneel geserveerd in een pitabrood met hummus, tahini, tomaat en komkommer.

In Israël is falafel zo ingeburgerd geraakt dat het vaak als nationaal gerecht wordt gezien, wat soms tot discussie leidt. Arabische en Palestijnse koks wijzen erop dat het gerecht al lang in de regio bestond voordat Israël in 1948 werd gesticht. Dit maakt de herkomst van falafel ook een cultureel en politiek gevoelig onderwerp.

Hoe falafel de wereld over ging

Falafel verliet het Midden-Oosten grotendeels via migratie en toerisme in de tweede helft van de twintigste eeuw. Immigranten uit Libanon, Israël en andere landen in de regio openden restaurants en kraampjes in Europa, Noord-Amerika en verder. In steden als Amsterdam, Berlijn en New York werd falafel snel populair, zeker onder vegetariërs en mensen die op zoek waren naar goedkoop en smakelijk streetfood.

Tegenwoordig vind je falafel in vrijwel elk land ter wereld, van supermarktschappen in Nederland tot foodtrucks in Australië. De basisingrediënten zijn overal vergelijkbaar: kikkererwten of tuinbonen, knoflook, ui, koriander, komijn en peterselie. Toch verschilt de smaak per regio door kleine aanpassingen in kruiden en bereidingswijze.

Tuinboon of kikkererwt: het verschil in oorsprong

Het verschil tussen de twee varianten zegt iets over de herkomst. De tuinbonenvariant is het oudst en komt uit Egypte. De kikkererwtenvariant is jonger en typisch voor de Levant. In sommige landen, zoals Syrië, worden beide peulvruchten gemengd. Dit geeft niet alleen een andere smaak, maar ook een andere kleur: de tuinbonenvariant is donkerder van buiten, de kikkererwtenvariant heeft een lichtere, meer groengele kern.

De herkomst van falafel laat zich dus niet terugbrengen tot één enkel land of moment. Het is een gerecht dat zich geleidelijk ontwikkelde, verspreidde en aanpaste aan lokale smaken en ingrediënten. Wat zeker is: het Midden-Oosten, en waarschijnlijk Egypte, is de plek waar het allemaal begon.

Kaneel komt van twee belangrijke plekken in de wereld: het eiland Sumatra in Indonesië en het eiland Sri Lanka. Beide plekken produceren een eigen soort kaneel, met duidelijke verschillen in smaak, kwaliteit en gebruik. Toch is de herkomst van kaneel nog iets ouder en rijker dan alleen die twee eilanden.

Twee soorten kaneel, twee herkomsten

De kaneel die jij in de supermarkt koopt, is waarschijnlijk cassia-kaneel. Deze soort komt van het eiland Sumatra in Indonesië. Cassia is de meest verkochte kaneelsoort ter wereld: hij is goedkoper te produceren en heeft een sterkere, wat bitterder smaak dan zijn tegenhanger uit Sri Lanka.

De andere soort heet Ceylonkaneel, ook wel “echte kaneel” genoemd. Die komt van Sri Lanka, het eiland dat vroeger Ceylon heette. Ceylonkaneel heeft een zachtere, licht zoete smaak en geldt over het algemeen als de fijnere variant. In Mexico, bijvoorbeeld, is Ceylonkaneel juist de standaard in de keuken, terwijl in Europa cassia dominanter aanwezig is.

Hoe wordt kaneel gemaakt?

Kaneel wordt gewonnen uit de binnenbast van de kaneelboom, een tropische boom uit de laurierfamilie. De boeren strippen de buitenste schors van de tak af, en schaven vervolgens de dunne, gladde binnenbast eraf. Die binnenbast rolt vanzelf op terwijl hij droogt. Zo ontstaan de bekende kaneelstokjes.

Het oogsten is handwerk. De takken worden op een bepaalde hoogte afgeknipt, waarna de bast zorgvuldig wordt losgemaakt met een speciaal mes. Bij Ceylonkaneel worden meerdere dunne lagen op elkaar gerold, wat de stokjes hun typische, fijne structuur geeft. Bij cassia is de stok dikker en harder, en bestaat hij uit één enkel stuk bast.

Waar komt kaneel vandaan historisch gezien?

De geschiedenis van kaneel gaat ver terug. Al duizenden jaren geleden werd kaneel verhandeld in het Midden-Oosten en het oude Egypte. Kaneelstokjes zijn zelfs gevonden in Egyptische mummies, waar het kruid werd gebruikt bij het balsemen. In de Bijbel wordt kaneel ook meerdere keren genoemd als kostbaar goed.

Tijdens de middeleeuwen was kaneel in Europa zo waardevol als goud. Handelaren hielden de precieze herkomst geheim om hun machtspositie te bewaren. Pas in de zestiende eeuw, toen de Portugezen Sri Lanka bereikten, werd de echte oorsprong van kaneel voor Europa duidelijk. Later namen de Nederlanders via de VOC de controle over de kaneelhandel op Sri Lanka over, een positie die ze lange tijd vasthielden.

Welke landen produceren kaneel tegenwoordig?

Naast Sumatra en Sri Lanka wordt kaneel ook verbouwd in andere tropische landen. De belangrijkste productielanden zijn:

  • Sri Lanka (Ceylonkaneel, de fijnste soort)
  • Indonesië (cassia van Sumatra)
  • China (ook een cassia-variant, soms aangeduid als Chinese kaneel)
  • Vietnam (Saigon-kaneel, met een hoog gehalte aan etherische oliën en een zeer sterke smaak)

Elke soort heeft zijn eigen smaakprofiel. Saigon-kaneel uit Vietnam is de sterkste van allemaal en wordt vaak gebruikt in kruidensupplementen. Chinese kaneel lijkt het meest op de Indonesische cassia.

Wil je de mildste en meest verfijnde kaneel, kies dan voor Ceylonkaneel uit Sri Lanka. Gebruik je kaneel als smaakmaker in grote hoeveelheden, bijvoorbeeld in koeken of stoofpotten, dan is cassia de meest gangbare en betaalbare keuze. Kijk op de verpakking: bij veel supermarktkaneel staat “cassia” of “kaneel (Cinnamomum cassia)” vermeld.

Matcha komt oorspronkelijk uit China, maar werd groot in Japan. Het verhaal begint tijdens de Chinese Song-dynastie (960-1279), toen het drinken van fijngemalen thee in poedervorm een populaire gewoonte was. Via boeddhistische monniken reisde die traditie naar Japan, waar matcha uiteindelijk uitgroeide tot wat het vandaag de dag is: een diepgeworteld onderdeel van de Japanse cultuur.

Waar komt matcha vandaan: China of Japan?

Het antwoord is: allebei, maar in een andere volgorde. In China was het tijdens de Song-dynastie gebruikelijk om theebladeren te stomen, te drogen en fijn te malen tot poeder. Dat poeder werd vervolgens geklopt met heet water in een kommetje. Een herkenbaar ritueel voor wie matcha kent.

Aan het einde van de twaalfde eeuw bracht de Japanse boeddhistische monnik Eisai theezaden én de kennis over het bereiden van poederthee mee terug naar Japan. Hij plantte de eerste theebladeren op Japanse bodem en beschreef de gezondheidsvoordelen van thee in zijn geschriften. Dat was het beginpunt van de Japanse matchatraditie.

In China raakte de poederthee-methode na de Song-dynastie uit de mode. Men stapte over op een andere manier van thee zetten, waarbij losse theebladeren worden gebrouwen. In Japan bleef de poederstijl juist leven en werd hij verder verfijnd, met name binnen het zenboeddhisme en later de Japanse theeceremonie (chanoyu).

Hoe Japan matcha zijn eigen maakte

Japan nam de Chinese basis en ontwikkelde daar iets nieuws mee. Een belangrijke stap was de teelt in de schaduw, een methode waarbij theeplanten in de weken voor de oogst worden afgedekt van direct zonlicht. Dat stimuleert de aanmaak van chlorofyl, wat de felgroene kleur geeft. Tegelijk neemt het gehalte aan L-theanine toe, een stof die bijdraagt aan de kenmerkende umami-smaak van matcha.

Na de oogst worden de bladeren gestoomd, gedroogd en ontdaan van nerven en steeltjes. Wat overblijft heet tencha. Die tencha wordt vervolgens gemalen tot het fijne, felgroene poeder dat we kennen als matcha. Vroeger gebeurde dat met stenen handmolens; nu doen machines veel van dat werk, al worden voor hoogwaardige matcha nog steeds stenen molens gebruikt.

De bekendste matcharegio’s in Japan

Japan is tegenwoordig de belangrijkste producent van matcha ter wereld. Binnen Japan zijn er een paar regio’s die bekendstaan om hun kwaliteit.

  • Uji (Kyoto): de meest gerenommeerde matcharegio. Uji-matcha geldt als een kwaliteitslabel en staat bekend om een zachte, diepe smaak.
  • Nishio (Aichi): een van de grootste producerende regio’s qua volume. Veel matcha die in Japan en wereldwijd wordt verkocht, komt uit Nishio.
  • Kagoshima: een groeiende regio in het zuiden van Japan, met een gunstig klimaat voor theeproductie.
  • Shizuoka: vooral bekend om gewone groene thee (sencha), maar ook een speler in de matchamarkt.

Uji heeft de langste theegeschiedenis en de naam “Uji-matcha” wordt door veel Japanse producenten als kwaliteitskeurmerk gebruikt. Het zegt iets over de herkomst en de teeltmethode, vergelijkbaar met een geografische aanduiding bij wijn of kaas.

Van Japan naar de rest van de wereld

Lange tijd bleef matcha vooral een Japans product, sterk verbonden met de theeceremonie en de boeddhistische kloostercultuur. Pas in de twintigste en eenentwintigste eeuw begon matcha buiten Japan aan populariteit te winnen. Eerst als ingrediënt in de Japanse keuken, denk aan matchaijs en wagashi (Japanse zoetwaren), later als trendy drank in koffiebarren wereldwijd.

De opmars van de matchalatte in westerse steden droeg sterk bij aan de internationale vraag. Ondertussen groeit ook de productie buiten Japan. China, dat ooit de oorsprong was van het matchaconcept, is nu ook een grote producent van matchapoeder voor de wereldmarkt, al verschilt de smaak en kwaliteit vaak van de Japanse variant vanwege andere teelt- en verwerkingsmethoden.

Matcha heeft dus een lange reis gemaakt: van de Chinese theehuizen uit de Song-dynastie, via Japanse kloostermuren en theeceremoniën, naar de koffiebekers en smoothiebars van vandaag. De wortels liggen in China, maar de identiteit van matcha zoals we die nu kennen is puur Japans.

Black Friday komt oorspronkelijk uit de Verenigde Staten en staat voor de dag na Thanksgiving, de vierde donderdag van november, waarop winkels massale kortingen geven. Maar de herkomst van de naam is een stuk minder vrolijk dan je zou verwachten van een koopjesdag. Er zijn meerdere verklaringen voor waar Black Friday vandaan komt, en niet alle zijn even goed onderbouwd.

De meest geloofwaardige verklaring: de politieagenten van Philadelphia

De vroegste en meest geloofwaardige verklaring voor de naam Black Friday komt uit Philadelphia in de jaren zestig van de twintigste eeuw. De dag na Thanksgiving was daar een drukke dag: grote drukte op straat, veel winkelpubliek en een populaire voetbalwedstrijd die extra mensen naar de stad trok. Politieagenten konden die dag niet vrij nemen en noemden het onder elkaar “Black Friday”, als uitdrukking van iets vervelends en zwaar. De naam werd zo in de volksmond verbonden met de dag.

Lokale winkels pikten de term op en gebruikten hem al snel in advertenties. Zo verspreidde de naam zich vanuit Philadelphia naar de rest van het land. Dit verhaal is het best gedocumenteerd en wordt door historici als de meest waarschijnlijke oorsprong gezien.

De boekhoudkundige verklaring: van rood naar zwart

Een andere populaire verklaring, die je nog vaak tegenkomt, gaat over boekhoudkundige tradities. Vroeger schreven accountants verlies in het rood en winst in het zwart. Omdat winkels op de dag na Thanksgiving zoveel omzet draaiden, zouden ze na een jaar van verlies eindelijk weer “in het zwart” staan. Vandaar de naam Black Friday.

Dit klinkt logisch, maar het is waarschijnlijk een achteraf bedachte verklaring. Er is geen bewijs dat winkeliers de term zelf zo hebben bedoeld of gebruikt. Het verhaal werd populair nadat de naam al ingeburgerd was en lijkt eerder een manier om de naam positief te duiden dan een echte oorsprong.

De verklaring met het slavernijverleden

Een derde verklaring, die veel minder goed onderbouwd is, verbindt Black Friday met het slavernijverleden van Amerika. Volgens dit verhaal werden tot slaaf gemaakte mensen na Thanksgiving verkocht of verhandeld op grote markten. Er zijn tot nu toe geen historische bronnen gevonden die dit verhaal bevestigen. Historici beschouwen deze verklaring als onbewezen en waarschijnlijk onjuist.

Hoe Black Friday wereldwijd groot werd

Decennialang bleef Black Friday een puur Amerikaans fenomeen. De dag na Thanksgiving was er traditioneel een vrije dag voor veel Amerikanen, wat het de perfecte gelegenheid maakte voor een grote winkeldag. Winkels gaven enorme kortingen, klanten stonden voor dag en dauw in de rij, en de dag groeide uit tot een van de grootste shoppingdagen van het jaar in de VS.

Rond het begin van de jaren 2010 waaide het concept over naar Europa, en ook Nederland en België pikten het op. Dat was opvallend, want Thanksgiving bestaat hier niet. Toch sloeg de koopjesdag aan, eerst bij grote webwinkels en later bij vrijwel alle retailers. De reden was simpel: kortingen werken altijd, ongeacht de culturele achtergrond van de dag.

Waar komt de datum vandaan?

Black Friday valt altijd op de vierde vrijdag van november, de dag direct na Thanksgiving. In de VS is Thanksgiving vastgesteld op de vierde donderdag van november door president Franklin D. Roosevelt, die de feestdag in 1939 een week vervroegde. Dat was deels om de winkelperiode voor kerst langer te maken en zo de economie tijdens de Grote Depressie te stimuleren. Dat besluit had indirect ook invloed op de positie van Black Friday als vaste koopjesdag in de kalender.

Wat zegt de naam over de dag?

Hoe je de oorsprong ook bekijkt, de naam Black Friday had in zijn vroegste gebruik een negatieve lading. Het was een dag die je liever vermeed, geen dag om te vieren. Pas later, toen retailers de term overnamen en er een positieve draai aan gaven, veranderde dat. Vandaag staat de naam wereldwijd voor kortingen en koopjes, terwijl de eigenlijke herkomst van die naam veel minder feestelijk was.

De meest betrouwbare verklaring blijft die van de Philadelphiase politieagenten in de jaren zestig. De boekhoudkundige verklaring is achteraf bedacht, en de slavernijverklaring is historisch niet onderbouwd. Wie wil weten waar Black Friday écht vandaan komt, komt het dichtst bij de waarheid met dat ene verhaal uit een drukke stad, ruim zestig jaar geleden.

Shoarma komt oorspronkelijk uit het Midden-Oosten en heeft zijn wortels in de Ottomaanse keuken. De naam is een verbastering van het Turkse woord çevirme, wat “draaiend” betekent. Dat verwijst direct naar de bereidingswijze: vlees dat langzaam ronddraait aan een verticaal spit voor een warmtebron. Vanuit het Ottomaanse Rijk verspreidde het gerecht zich over het hele Midden-Oosten en later de rest van de wereld.

In het Arabisch schrijf je het als شاورما. De uitspraak en spelling verschillen per regio: in Nederland zeggen we shoarma, maar in andere landen hoor je ook “shawarma” of “chawarma”. Het gaat in alle gevallen om hetzelfde basisgerecht.

Waar komt shoarma vandaan: de Ottomaanse oorsprong

Het spit-gebraad dat de basis vormt van shoarma ontstond in het Ottomaanse Rijk, dat op zijn hoogtepunt grote delen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Zuidoost-Europa omvatte. Turkije geldt daarmee als het geboorteland van de bereidingsmethode. Het principe van vlees op een verticaal spit is al eeuwen oud en werd verfijnd in de keukens van dit rijk.

Vanuit Turkije reisde het gerecht mee met handelaren, soldaten en migranten naar landen als Libanon, Syrië, Egypte, Israël en andere landen in de regio. Elk land paste het recept aan op eigen smaken en lokale ingrediënten. In Griekenland heet een soortgelijk gerecht “gyros”, in Mexico staat een vergelijkbare variant bekend als “tacos al pastor”, die door Libanese immigranten werd geïntroduceerd in de negentiende en twintigste eeuw.

Hoe verschilt shoarma per land?

Hoewel de bereidingsmethode overal vergelijkbaar is, zijn de smaken en ingrediënten heel verschillend per regio. In Libanon en Syrië wordt shoarma vaak geserveerd in een dun flatbread met knoflooksaus, tomaat en komkommer. In Egypte zie je vaker tahini erbij. In Turkije, de bakermat van het gerecht, kennen ze een vergelijkbare variant als “döner kebab”.

In Nederland is shoarma aangepast aan de Nederlandse smaak. Hier wordt het vlees vaak geserveerd in een broodje of wrap, met friet, knoflooksaus en sambal. Dat is een behoorlijk andere combinatie dan je in het Midden-Oosten tegenkomt, maar het draaiende spit is altijd de rode draad.

Hoe komt shoarma in Nederland terecht?

Shoarma arriveerde in Nederland via migranten, vooral uit Turkije en het Midden-Oosten. Vanaf de jaren zestig en zeventig kwamen er veel Turkse gastarbeiders naar Nederland. Zij brachten hun eetcultuur mee, waaronder de döner kebab en shoarma. In de decennia daarna openden steeds meer Turkse en Arabische restaurants en eetgelegenheden, waardoor het gerecht bij een groot publiek bekend raakte.

Tegenwoordig is shoarma een van de meest gegeten fastfoodgerechten in Nederland. Je vindt het bijna in elke stad en elk dorp, soms in een specialistische shoarmazaak, soms als onderdeel van het menu bij een broodjeszaak of snackbar. De populariteit laat zien hoe een gerecht met wortels in het Ottomaanse Rijk volledig is ingeburgerd in een heel andere eetcultuur.

Het verschil tussen shoarma en döner kebab

Shoarma en döner kebab lijken sterk op elkaar en worden soms door elkaar gebruikt. Het grote verschil zit in de kruiding en de herkomst van de naam. Döner kebab is de Turkse naam voor het gerecht (“döner” betekent ook “draaiend” in het Turks). Shoarma is de Arabische variant van hetzelfde principe, maar met typisch Midden-Oosterse kruiden zoals komijn, kurkuma, kaneel en kardemom. De Griekse gyros is weer een andere regionale variant, waarbij het vlees iets anders wordt gekruid en gesneden.

In de praktijk gebruiken Nederlandse zaken de termen shoarma en döner kebab soms door elkaar. Strikt genomen verwijst shoarma naar de Arabisch gekruide versie en döner kebab naar de Turkse variant.

Shoarma heeft dus een lange reis achter de rug: van de keukens van het Ottomaanse Rijk, via het Midden-Oosten, naar de Nederlandse snackbar op de hoek. De bereidingsmethode, vlees dat langzaam draait aan een spit, is in al die eeuwen nauwelijks veranderd. Alleen de saus, het brood en de bijgerechten passen zich steeds aan aan de plek waar het gerecht terechtkomt.

Sinterklaas komt oorspronkelijk uit de Griekse bisschop Nicolaas van Myra, die leefde aan het einde van de derde en het begin van de vierde eeuw na Christus. Deze historische figuur vormde de basis voor de feestelijke Sint die elk jaar in november vanuit Spanje naar Nederland vaart. Maar hoe ging een vroegchristelijke bisschop uit Klein-Azië over in de goedheiligman die we vandaag kennen?

Nicolaas van Myra: de historische oorsprong van Sinterklaas

De stad Myra lag in wat nu het zuidwesten van Turkije is, in de regio Lycië. Nicolaas was daar bisschop en stond bekend om zijn vrijgevigheid en zijn zorg voor armen en kinderen. Een van de bekendste verhalen over hem gaat over drie arme meisjes die geen bruidsschat hadden. Nicolaas zou stiekem zakjes goud door hun raam hebben gegooid, zodat ze toch konden trouwen. Dat gebaar van anoniem geven ligt aan de basis van het cadeaugebruik dat we nu nog kennen.

Nicolaas overleed vermoedelijk rond 343 na Christus. Na zijn dood werd hij heilig verklaard. Zijn reputatie als weldoener groeide snel, en hij werd de beschermheilige van onder andere kinderen, zeelieden en bakkers. Zijn feestdag viel op 6 december, de vermoedelijke datum van zijn overlijden.

Van heilige naar volksfeest: hoe de traditie zich verspreidde

In de middeleeuwen verspreidde de verering van Sint-Nicolaas zich vanuit het Byzantijnse rijk naar West-Europa. Kloosters en kerken droegen zijn verhalen verder. In Nederland en België raakte het Sinterklaasfeest stevig verankerd in de volkscultuur, waarbij de nadruk steeds meer op kinderen en cadeaus kwam te liggen.

Scholen en kerken speelden daarin een grote rol. Op de avond voor zijn naamdag, 5 december, zetten kinderen hun schoen bij de haard of bij de deur. De volgende ochtend vonden ze daarin snoep of kleine cadeautjes. Dit gebruik stamt al uit de late middeleeuwen en is in Nederland en België tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.

Waar komt Spanje vandaan in het Sinterklaasfeest?

Dat Sinterklaas in Spanje woont, is een relatief jonge toevoeging aan het verhaal. Een eenduidige historische verklaring ontbreekt, maar een veelgenoemde theorie is dat de Spaanse overheersing van de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw een rol speelde. In die periode was Spanje een rijke mogendheid, en het idee dat de Sint vandaaruit geschenken meebracht, paste bij dat beeld van luxe en overvloed.

Een andere verklaring hangt samen met de verering van relieken. De beenderen van Nicolaas werden in 1087 overgebracht van Myra naar de Italiaanse stad Bari, niet naar Spanje. Toch belandde Spanje in de Nederlandse traditie als woonplaats van de Sint, waarschijnlijk door een mix van volksverhalen en culturele beïnvloeding door de Habsburgse Nederlanden.

De verbinding met de moderne Kerstman

De figuur van Sinterklaas reisde ook mee naar Amerika. Nederlandse kolonisten namen het Sinterklaasfeest mee naar Nieuw-Amsterdam, het latere New York. Daar veranderde de naam “Sinterklaas” in de Engelse uitspraak “Santa Claus”. Door commerciële en culturele ontwikkelingen in de negentiende en twintigste eeuw groeide Santa Claus uit tot de rode, ronde figuur die we wereldwijd kennen. De oorsprong blijft dezelfde bisschop uit Myra, maar de uitwerking liep langs heel andere lijnen dan de Nederlandse traditie.

Zwarte Piet en de Pietendiscussie

De helper van Sinterklaas, Zwarte Piet, duikt pas op in de negentiende eeuw. De eerste bekende beschrijving verscheen in het boek “Sint Nikolaas en zijn knecht” van Jan Schenkman uit 1850. Daarin arriveerde Sinterklaas per stoomboot uit Spanje, vergezeld van een zwarte helper. Dit boek legde de basis voor veel van de tradities die daarna standaard werden, zoals de boot, het paard en de schoorstenen.

De huidige discussie over de figuur van Zwarte Piet draait om de vraag of het uiterlijk van de helper een racistische oorsprong heeft. Voorstanders van aanpassing wijzen op de gelijkenis met koloniale stereotypen. Tegenstanders zien het als folklore. In veel gemeenten is de figuur inmiddels aangepast naar roetpieten of andere varianten, al verschilt dit sterk per regio.

De herkomst van Sinterklaas loopt dus van een Griekse bisschop in Klein-Azië, via middeleeuwse kloosterverhalen en Spaanse invloeden, naar de moderne feesttraditie in Nederland en België. Elke laag in dat verhaal heeft iets toegevoegd aan de figuur die kinderen elk jaar weer verwachten op de stoep.